Teringlijer

Teringlijer

Op slag was het alsof het licht uitging. De wereld werd een periode aardedonker, om vervolgens langzaam te veranderen in een groot kleurenspektakel. Ik zweefde door de lucht, steeds hoger en hoger. Over daken, bossen en zeeën. Begeleid door vuurwerk en duizend hemelbogen, kwam ik uiteindelijk bij een enorme koepel, die ingang bood tot, zoals het leek, een schier eindeloze tunnel. De duizenden kleuren balden zich samen tot immense figuren aan het eind van de trechter. Ik raasde er naartoe met een duizelingwekkende snelheid en begeleid door een oorverdovend lawaai.

Plotseling werd het stil. De kleuren vervaagden, het vuurwerk hield op en het werd muisstil. Er stond een grote man, recht voor mij. Hij droeg een wit lang gewaad, dat zelfs zijn tenen bedekte. Zijn asgrijze haren gingen over in een zware baard, die bijna tot aan zijn middel reikte.

Ik ben er geweest, dacht ik. Dit moet Petrus zijn. Dit is dan de grote afrekening, waarover iedereen het altijd heeft. Ik vroeg mij vertwijfeld af waardoor ik in Hemelsnaam de pijp uitgegaan kon zijn. Regelmatig werd ik toch door jaloerse vrienden en collega’s geprezen om mijn puike gezondheid en viriliteit. Ik liep de 10 kilometer nog binnen het uur, tenniste in competitieverband, deed aan kaatsen en voor mijn nieuwverworven vriendin Frida waren de nachten vaak te kort. Het was wel zo, dat het de laatste tijd vrij druk was geweest op de zaak en de relatie met mijn directe chef sterk onder druk kwam te staan, tengevolge een zeer onsympathieke actie zijnerzijds. Maar dat ik daarom de pijp aan Maarten zou geven, leek mij ietwat overdreven. Doorgaans kon niets mijn goede humeur bederven: altijd een grap op het juiste ogenblik, gevat en behept met een gulle lach. De verschijning voor mij keek mij vorsend aan en leek mijn vertwijfeling te kunnen lezen. “Jij denkt nu natuurlijk, dat je hartstikke dood bent en dat je nu voor Petrus staat……” Hij wachtte even. “Met betrekking tot het laatste moet ik je helaas teleurstellen, vriend. Die onzin had je nooit moeten geloven. Ik ben natuurlijk Petrus niet, maar ben hier wel tijdelijk, in een roulatiesysteem, aangesteld als Poortwachter. Ik categoriseer en label als het ware de input, als je begrijpt wat ik bedoel. Jij lijkt mij nou bijvoorbeeld een prototype van een Teringlijer”. “Pardon….?”, zei ik. “Ja, ja,” , vervolgde hij, “ het geheel bestaat hier uit diverse afdelingen, secties en gradaties. Jij bent er toch niet weer zo een, die gelooft in hemel en hel. Zo van: “als ik beetje goed voor m’n buren ben geweest en af en toe wat geld heb gestort voor de hongerlijers, dan kom ik wel in de hemel” Hij lachte homerisch. “Nee, beste man, je moet hier altijd van onderaf beginnen. De mannelijke divisie bestaat hier, naast Teringlijers, uit Pleurislijers, Pokkehonden, Kolerelijers, Vuile Flikkers, Pestlijers en Tyfushonden.

Jij lijkt mij dus tot de eerste categorie te behoren. Maar je kunt je opwerken. Er zijn voorbeelden van hopeloos lijkende gevallen, die het in nog geen 200 jaar hadden geschopt tot Wereldgoser of zelfs tot Toffekerel.” Mijn mond viel open en ik stamelde: “Ik begrijp het niet, ik ben altijd een goed mens geweest……”. De man hief zijn handen ten hemel. “Kom, kom, jij hebt net zo goed wel eens iemand een oor aangenaaid, de belasting getild of met je ellebogen gewerkt…of niet soms…?” Ik zweeg bedremmeld. “Zie je wel….”, vervolgde hij, “dan mag je nog blij zijn met deze kwalificatie. Je bent nog aardig gematst ook, want jouw sectie bevindt zich direct naast het onderkomen van de Feeksen, de Mutsen, de Bitches, de Kutwijven, Tulpentrutten en de Stoephoeren. Het is voor jou weliswaar verboden om met de vrouwenafdelingen te praten, maar zo af en toe wordt er wel eens iets door de vingers gezien”.  Hij gaf mij een vette knipoog. Tijdens zijn betoog was ik sprakeloos en timide, doch nu vond ik het tijd worden mij te verdapperen. “En wie ben jij dan wel niet”, riep ik met hese stem, “jij hebt hier, naar het schijnt, nogal wat in de melk te brokkelen”. De man glimlachte. “Gerards is de naam”, zei hij en maakte een lichte buiging. “Ik ben hier zo’n 420 jaar geleden gekomen als Pleurislijer. En dat was helemaal niet best…..” “Wat had je dan allemaal geflikt”, vroeg ik geschrokken, want het leek mij wel heel erg om als Pleurislijer te worden aangemerkt. “Nooit gehoord van Willem van Oranje?”, antwoordde de man, “die knakker, die vond dat iedereen maar kon geloven wat ie wilde…..” Hij liep rood aan. “Balthasar?”, vroeg ik en mijn stem sloeg twee keer over. “Ja, ja, “, vervolgde de man, “die zogenaamde Vader des Vaderlands was de pest voor de gehele Christelijkheid en de vijand van het menselijke geslacht. Er zijn nogal wat aanslagen op ‘m gepleegd, maar mij lukte het toch maar. Het is wel jammer dat ik het geld dat die Philips op z’n hoofd had gezet, nooit heb kunnen incasseren. Toen hadden ze mij al lang en breed gelyncht ……”. Hij smakte nadenkend met zijn lippen. “Maar je ziet maar weer, beste man, je kunt je hier opwerken. Na 300 jaar werd ik al Goeiejongen, met perspectief op Moordkerel en op grond van deze kwalificatie kon ik weer in aanmerking komen voor deze functie”. Hij haalde luidruchtig zijn neus op en wenkte mij. “Kom mee”, zei hij. Ik moest mijn tred versnellen om hem bij te kunnen houden. “Dit zijn nog de barakken van de Paardenlullen en Hondenlullen. Die laten we links liggen. Dat uitschot heeft nog een lange weg te gaan. Recht vooruit staan de onderkomens van de Pleurislijers en de Pokkehonden. Helemaal achteraan hebben we de Teringlijers. Meld je daar maar aan bij de oudste. Je kent ‘m wel, het is een kunstenaar. Hij woont op nummer 14000. Hij staat overigens, ondanks dat het een nieuwkomer is, op de nominatie om Wereldgoser te worden. Succes!”. Toen hij bijna uit het zicht was, draaide hij nog even om en zwaaide vriendelijk naar mij. Na nog een forse wandeling bereikte ik eindelijk het betreffende huisnummer en belde aan. Een magere man verscheen in de deuropening. “Aha, welkom”, riep hij joviaal en maakte een uitnodigende buiging. In zijn onderkomen stonden wel twaalf schildersezels met daarop veelal onafgemaakte schilderijen. Ik ontwaarde in een oogopslag de zelfportretten van Van Gogh en van Rembrandt en verder nog een Renoir, de Vrouw met de Zwarte Hoed van Manet, Het Papaverveld van Monet, Guernica van Picasso en in de hoek, tot mijn niet geringe verbazing, een mij nog onbekende Rubens. “Van Meegeren is mijn naam”, zei hij. “Kom verder” en wenkte vriendelijk met beide handen. “Ik ben nog, naar schatting, ongeveer een eeuw Teringlijer, maar dan zal ik, zoals Baltahsar ongetwijfeld heeft verteld, een forse promotie maken. Na de thee zal ik je kennis laten maken met je buren, de Pestlijers, de Tyfushonden en de Teringmongolen”. Dan dempte hij zijn stem tot een fluisterzachte toon. “Misschien kunnen we onderweg over de schutting nog even praten met de Wereldwijven, de Scheetjes, de Vrouwtjes of de Wijfies. Daar komen we namelijk langs. Maar doe voorzichtig, want het is voor ons streng verboden om contact met ze te hebben ”“Door wie wordt dat dan verboden?”, vroeg ik, ook al fluisterend. “Geen idee,” antwoordde hij, terwijl hij ondertussen met een lucifer de olieverfresten onder zijn nagels verwijderde. “Ik zou het bij God niet weten…Maar er staat een behoorlijke straf op”. “Welke dan?”, vroeg ik broeierig, mijn nieuwsgierigheid nauwelijks maskerend. “Dat is onbekend, maar het schijnt dat het geen kattenpis is….dus kijk maar uit…. Drink je thee op, dan gaan we”. We liepen zwijgend langs mistige weggetjes en straatjes, die omgeven waren door enorme stalen schuttingen. Er leek geen eind te komen aan het labyrint, waarin mijn metgezel klaarblijkelijk moeiteloos de weg kon vinden. Plotseling hield hij de pas in en pakte mij even beet. Hij deed de wijsvinger van zijn rechterhand voor zijn mond. “Sssst…….we komen nu langs het territorium van de Wereldwijven en de Stoten”, fluisterde hij en hij keek schichtig om zich heen. “Daar bij die las in de schutting zijn ze een stukje vergeten. Daar is een gaatje. Kijk er maar eens doorheen. Je weet niet wat je ziet…”. Ik aarzelde. De situatie, waarbij iets ten strengste was verboden, zonder te weten door wie het verbod was uitgevaardigd, maakte mij onzeker. Te meer, daar de sanctie op overtreding kennelijk zeer zwaar was, zonder dat bekend was, wat deze inhield. Mijn nieuwsgierigheid won uiteindelijk van de verwarring, die zich van mij meester had gemaakt en ik sloop omzichtig naar het gat in de schutting. Ik legde mijn hand op de stalen constructie om bij het kijkgat te kunnen komen. Op dat moment was het, alsof ik een elektrische lading kreeg toegediend, die een volwassen stier had kunnen doden. Ik sprong op en klapte hard neer.

Langzaam deed ik mijn ogen open en keek tegen een witte jas. Boven, aan het einde van de witte jas, zag ik een hoofd. “Ik geloof, dat we ‘m hebben. Hij is er weer!”.  Het hoofd lachte breeduit en draaide aan wat knoppen van de apparatuur naast en boven mij. Er ontstond licht tumult en een ingehouden gejuich van diverse kanten was hoorbaar. Daarna viel ik in een dromeloze slaap.

Twee dagen later liep ik, met Frida stevig aan mijn zijde, nog een tikje onvast naar de uitgang van het ziekenhuis. Zij kneep mij in mijn arm. “En nu hou je voorlopig alleen maar vakantie”, zei ze streng. “Je hebt veel te hard gewerkt, al die jaren. Je tikkertje hield er niet zo maar mee op….” Ik glimlachte berustend. “Ik denk ook, dat die luizenstreek van die baas van je, de druppel is geweest…….Wat is dat toch eigenlijk een teringlijer”. “Zeg dat wel”, zei ik en gaf haar een zoen.

Auteur: Jacob Willemse.

Laat een reactie achter:

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Site Footer